achtergrond

Waarom olierijkdom hongersnood in Jemen niet kan voorkomen

19 juni 2026

door Zayd S. en

Hoewel Jemen een rijk olie- en gasland had kunnen zijn, behoren de inwoners tot de armste mensen ter wereld. Niet alleen is de olie- en gasproductie gekelderd sinds de burgeroorlog in 2014 begon. Ook worden de inkomsten die er nog zijn, weggesluisd door corruptienetwerken.

Waarom olierijkdom hongersnood in Jemen niet kan voorkomen

Jemenieten ontvangen voedselhulp, geleverd door de hulporganisatie Mona Relief, bij een distributiecentrum in Sana'a, Jemen, op 22 november 2025. Gevluchte mensen in Jemen zijn afhankelijk van lokale voedselhulporganisaties. De vraag naar hulp is verder toegenomen nadat internationale ngo’s vertrokken omdat hun medewerkers werden gegijzeld. Beeld: Yahya Arhab via ANP

Meer dan tien jaar duurt de burgeroorlog in Jemen al. Zo’n 19,5 miljoen mensen, ruim de helft van de bevolking, is aangewezen op noodhulp, meer dan 80 procent leeft onder de armoedegrens en meer dan 2 miljoen kinderen zijn ondervoed. Wat in 2014 begon als een interne strijd om de macht tussen de internationaal erkende regering en de Houthi’s – een sjiitische, gewapende verzetsgroep die vindt dat de VS en Saudie Arabië te veel invloed op Jemen hebben, en dat de sjiieten onderdrukt worden.

Het conflict escaleerde toen Saudi-Arabië militair ingreep in het voordeel van de Jemenitische regering, met steun van onder meer de VS, het VK en Frankrijk. Saudi-Arabië wil de macht breken die de Houthi’s in 2014 grepen in het noordwesten van Jemen. De Houthi’s zijn uitgesproken tegenstanders van Saoudi-Arabië.

Het land is sindsdien in tweeën gesplitst. In het noordwesten, waar de Houthi-rebellen de macht hebben en waar de hoofdstad Sana’a ligt, woont 70 procent van de bevolking. De internationaal erkende regering controleert het zuidoosten, waar 30 procent van de bevolking woont en waar de meeste olie- en gasvelden liggen.

In 2016 werd ook de Centrale Bank gesplitst en sindsdien zijn er twee concurrerende munteenheden en worden de salarissen van meer dan een miljoen ambtenaren niet meer uitbetaald. Omdat Jemen afhankelijk is van import, betekent waardevermindering van de munteenheden dat voedsel en andere goederen onbetaalbaar zijn geworden.

Humanitaire ramp

De verdeeldheid en het geweld leidde tot economische ineenstorting en een van de grootste humanitaire rampen ter wereld. “Ik verdien een schamel dagloon dat niet voldoende is om in de behoeften van mijn drie kinderen te voorzien”, zegt Ali Quasim (41). Hij verblijft met zijn gezin in het Jemenitische vluchtelingenkamp Al-Qoz dat wordt gecontroleerd door de regering. Hij is één van de 4,8 miljoen vluchtelingen die binnen Jemen ontheemd zijn.

Bijna alle olie- en gasrijkdommen van Jemen zijn geconcentreerd in het zuiden en oosten, waar de regering de controle heeft. Vóór de oorlog in 2015 was de energie-export goed voor 95 procent van de totale export en de belangrijkste bron van inkomsten, maar door het conflict is de gasexport volledig stilgevallen en is de olie-export met bijna driekwart gedaald.

En die resterende olieopbrengsten komen niet terecht bij de Centrale Bank van de internationaal erkende regering, en al helemaal niet bij de bevolking. De winsten worden volgens een panel van VN-experts via ondoorzichtige contracten en niet-geregistreerde overboekingen overgemaakt naar offshore-rekeningen van invloedrijke mensen die dicht bij de regering of president zitten. Een voorbeeld is de Al-Eissi Group, een conglomeraat van bedrijven onder leiding van de invloedrijke zakenman Ahmed Al-Eissi, die onder veel meer adviseur was van de voormalige president Hadi.

Elke dag een worsteling

Door de olieinkomsten buiten de officiële staatsbegroting te houden via ondoorzichtige structuren en tussenpersonen profiteren gewone burgers niet van deze inkomsten. “Vóór de oorlog was ik ambtenaar, maar nadat mijn salaris in 2016 werd stopgezet, werd ik dagloner op bouwplaatsen en boerderijen”, vertelt Quasim. Hij leeft met zijn gezin, onder wie een kind dat lijdt aan stress als gevolg van oorlogservaringen, in een vervallen tent. “Vroeger wilde ik een vaste baan, gewoon een fatsoenlijk leven, maar nu worstel ik elke dag om een brood en een pil voor mijn zieke kind te kunnen betalen.”

Niet alleen mensen die in eigen land op de vlucht zijn, zoals Ali, lijden onder de rampzalige economie, ook Jemenieten die wel nog thuis wonen hebben het zwaar. Zoals Youssef Faisal, (45 jaar), die met zijn vijf kinderen en echtgenote in de hoofdstad Sana’a woont, in het door Houthi’s gecontroleerde noordwesten. “Vóór de oorlog werkte ik in de bouw. Ik had een vaste baan en verdiende goed. Toen brak de oorlog uit en nam het werk geleidelijk af totdat het helemaal opdroogde. Ik moest al mijn spaargeld uitgeven om in de basisbehoeften van mijn gezin te voorzien.

Toen mijn spaargeld op was, kon ik geen andere bron van inkomsten vinden dan dagelijks werk in allerlei soorten banen, soms laden en lossen, soms schoonmaken. Sommige maanden werk ik drie dagen en verdien ik in totaal 10 dollar. Daarvan kan ik een paar dagen rijst of brood kopen, en de rest van de maand heb ik geen werk en dus geen eten. Ik heb meer dan een jaar achterstallige huur. De voedselpakketten die door ngo’s werden uitgedeeld, dekten vroeger een deel van onze voedselbehoeften, maar nadat de organisaties hun werk stopzetten, verslechterde de situatie en moesten we onze toevlucht nemen tot lokale liefdadigheid.”

Oplopende prijzen

Door meerdere gijzelingen van VN- en andere ngo-medewerkers door Houthi’s, zagen veel hulpverlenende organisaties zich genoodzaakt uit Sana’a te vertrekken. Maar de lokale, kleinschalige liefdadigheidsorganisaties kunnen de leemte die is ontstaan na het vertrek van de grote ngo’s niet opvullen. Ook bemoeilijken de sancties tegen de Houthi-beweging Ansar Allah de import van voedsel en medicijnen, waardoor de prijs nog verder oploopt.

In het noordwesten van Jemen, gebieden die onder controle staan van de Houthi-groep – waar bijna driekwart van de bevolking woont – wordt de regio onderworpen aan een verstikkende militaire en economische blokkade door de Saudische coalitie: geen enkele luchthaven of haven functioneert normaal en er is geen lokale olieproductie. Luchthavens in Houthi-gebied zijn volledig gesloten voor regulier verkeer en alleen toegankelijk voor beperkte VN-vluchten. Havens zijn open voor humanitaire hulp en basisgoederen, maar functioneren onder strikte beperkingen. Officieel om wapeneleveranties te voorkomen, maar het effect is een gebrek aan import en economische activiteit.

Parallelle economie

En hoewel de olie-productie dus grotendeels stil ligt, wordt geïmporteerde brandstof gebruikt om de oorlog te financieren. Die komt volgens het VN-rapport binnen via informele netwerken van tussenpersonen die nauw gelieerd zijn aan politici of lokale machthebbers en een niet-transparant distributienetwerk runnen. Vervolgens wordt die olie verkocht tegen hoge prijzen, die in Sana’a soms oplopen tot 1,50 euro per liter.

Die prijs komt in de buurt van de brandstofprijzen in Nederland, terwijl meer dan 80 procent van de Jemenieten geen stabiele bron van inkomsten heeft en het inkomen van de mensen die wel iets verdienen, zoals Ali Qasim, niet hoger is dan 50 euro per maand. Ook wordt met de geïmporteerde olie geld witgewassen. In deze parallelle economie in Sana’a en in die van de corruptienetwerken in regeringsgebieden gaat volgens de VN naar schatting 1 miljard dollar per jaar om. Dat geld wordt doorgesluisd naar de oorlog, en niet naar de burgers.

Vel over been

In een geïmproviseerd vluchtelingenkamp in de hoofdstad Sanaa vertelt Maryam Al-Faqih (33) haar verhaal. “Bijna tien jaar geleden stierf mijn man op 33-jarige leeftijd. We verloren onze enige kostwinner. Voor de oorlog werkte ik als lerares en was mijn man ambtenaar. Voor de oorlog leidden we een normaal leven en woonden we in een appartement. Maar nadat de salarissen in 2016 werden stopgezet en mijn man ziek werd en niet meer kon werken, werden we uit het appartement gezet omdat we de huur niet konden betalen, en werden we dakloos.”

“Sinds de dood van mijn man ben ik alleen met mijn vijf kinderen. Na verschillende plaatsen te hebben bezocht, kwam ik uiteindelijk met onze kinderen in terecht op een slaapplek in Al-Tuhayta, in het westen, waar we alleen een dunne strozak op de grond hebben, zonder bescherming tegen weer en wind. Er zijn dagen dat we maar één maaltijd eten, wat vreselijk is voor de kinderen. Het voedsel dat we soms van organisaties krijgen, is niet genoeg. Meestal eten we alleen brood en drinken we alleen water.”

Al haar kinderen zijn vel over been, vertelt Maryam. “Maar mijn zoon Alaa, die toen vier jaar oud was, had het het zwaarst te verduren. Zijn lichaam ging steeds verder achteruit, totdat hij zich niet meer kon bewegen. De laatste twee dagen vroeg hij niet meer om eten en ik dacht dat hij sliep. De laatste nacht hoorde ik alleen nog maar zijn pijnkreten en weigerde hij iets te eten. Toen ik om hulp vroeg en hij naar het ziekenhuis werd gebracht, kreeg ik het bericht dat hij een paar uur later was gestorven van de honger. Ze konden hem niet redden.”

De tragedie van Jemen ligt niet in een tekort aan bodemrijkdommen, maar in de economie die door het conflict ernstig is ontwricht. Vóór 2014 waren de exporten van olie en gas goed voor naar schatting 60 tot 70 procent van de staatsinkomsten, voldoende om het land draaiende te houden en miljoenen mensen een stabiel inkomen te bieden. De oorlog heeft die economische basis echter verwoest. Volgens de VN worden de totale economische verliezen sinds het begin van het conflict geschat op meer dan 126 miljard dollar. De rijkdom, die nu wordt verdeeld in de corruptienetwerken van de strijdende partijen, zou de acute hongersnood aanzienlijk kunnen verlichten.

Bovenstaand artikel verscheen eerder via OneWorld.

Waardeer dit artikel

Dit artikel lees je gratis. Vind je het artikel en onze inzet de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten blijken door een bijdrage. Zo help je onze journalisten en RFG Media.

Mijn gekozen bedrag: € -

Over de auteur

auteur

Over de auteur

Zayd S.

Naar profielpagina