Tussen twee thuizen

Een janbiya, gekocht in de souk van Sanaa. – © Bernard Gagnon / Wikimedia Commons, CC BY-SA
Jemenitische kinderen die opgroeien in Nederland dragen twee werelden met zich mee. Een kennen ze van school, een wordt thuis in stand gehouden. Hun ouders voeren een stille strijd waar geen inburgeringscursus je op voorbereidt.
Bij de voordeur zwaait ze haar buurvrouw gedag en schakelt vervolgens moeiteloos over op het Arabisch en stapt een andere wereld binnen. De gang ruikt naar Jemenitische kruiden. In de woonkamer speelt de Jemenitische serie die ze ’s avonds het liefst kijkt. Op een plank is een kleine traditionele janbiya geplaatst, daarnaast ligt een Nederlandse schoolagenda. Ze is dertien jaar oud, en ze hoort bij twee landen tegelijk.
Haar vader Saleh kwam in november 2022 met haar naar Nederland. Ze was zeven. Hij is een van de duizenden Jemenitische ouders die kinderen grootbrengen in Nederland terwijl Jemen nog altijd in oorlog is – ouders die al jarenlang proberen om hun thuisland levend te houden voor hun kind dat elders opgroeit.
‘Ze is Jemen niet vergeten om het te herinneren,’ zegt Saleh. ‘Ze woont in een Jemenitisch huis, met een Jemenitische familie, en alle rituelen zijn Jemenitisch. Ze hoeft er niet aan herinnerd te worden. Ze leeft er middenin.’
Integratie van binnen
Het huis dat Saleh in Nederland heeft ingericht is, zoals hij het zelf omschrijft, een Jemenitische ambassade. Buiten de muren spreekt zijn dochter vloeiend Nederlands, beweegt ze zich gemakkelijk tussen haar Nederlandse klasgenoten en doet ze volop mee aan het schoolleven. Binnen is de voertaal Arabisch, het eten Jemenitisch en wordt de band met het land dat ze achterlieten met zorg onderhouden. Ze belt regelmatig met nichtjes en vriendinnen in Jemen – meisjes met wie ze als klein meisje bevriend raakte en nooit heeft losgelaten.
In een andere Nederlandse stad brengt Mustafa drie kinderen groot die in 2021 met hem meekwamen. Elk van hen heeft zijn eigen weg gevonden in het Nederlandse leven – geen van allen zonder moeite. Zijn oudste zoon arriveerde op zijn elfde zonder enige kennis van het Nederlands en vocht zich door een systeem dat niet altijd verder keek dan de taalbarrière. Zijn dochter ging nog een stap verder. Op eigen initiatief organiseerde ze een Jemenitische dag op haar Nederlandse school. Ze kwam in traditionele kleding en leerde haar klasgenoten overJemen – niet het Jemen uit het nieuws, maar haar Jemen: het eten, de muziek, de cultuur, de mensen.
Zo ziet integratie er vanbinnen uit: niet het uitwissen van de ene identiteit ten gunste van de andere, maar het dagelijkse, uitputtende en soms vreugdevolle proces van het vasthouden aan allebei. Voor deze kinderen is WhatsApp geen instrument voor nostalgie. Het is een levensader in het heden. Ze scrollen niet door oude foto’s. Ze bellen hun neven en nichten en vergelijken hun week. Ze sturen spraakberichten. Ze onderhouden geen herinnering, ze onderhouden een relatie.
Beide vaders spreken met een openheid die zeldzaam is. Mustafa beschrijft een gevoel dat hij niet had verwacht: de geleidelijke vervaging van de urgentie die hij ooit voelde voor zijn thuisland. Geen berusting, benadrukt hij. Meer als een eelt dat zich vormt over iets dat ooit brandde.
‘De omgeving neemt je mee,’ zegt hij. ‘Beetje bij beetje. Je kunt ervoor kiezen om mee te gaan, zodat het leven makkelijker wordt. Maar dan gaat er iets verloren. En je weet niet precies wat. Tegen de tijd dat je het merkt, zijn de kinderen al verder gegaan dan jij.’
Hij is zich van die ontwikkelingen bewust. En vertrouwt ze niet helemaal. Elk Eid kleedt hij de kinderen in traditionele kleding die vanuit huis wordt gestuurd. De familie kijkt samen naar Jemenitische programma’s. Hij belt een à twee keer per week met familie. ‘De nagel verlaat het vlees niet,’ zegt hij – een Jemenitische uitdrukking voor een band die niet verbroken kan worden, hoe ver je ook reist.
Beschermd
Saleh herinnert zich een specifieke nacht in Jemen. Er vond een zwaar bombardement plaats vlak bij hun huis – zo dichtbij dat zijn dochter huilde. Hij lachte. Hij vertelde haar dat er een bruiloft werd gevierd in de buurt. Vuurwerk. Hij sprak rustig en hield zijn gezicht in de plooi, en na een tijdje geloofde ze hem – of koos ze ervoor te geloven. Ze stopte met huilen.
Ze is nu dertien en ze weet hoe oorlog klinkt. Ze weet waarom ze zijn vertrokken. Ze weet dat de geluiden die ze als klein kind hoorde geen vuurwerk waren. Maar ze kent ook iets wat haar vader haar in dat moment heeft gegeven: de ervaring beschermd te worden. De wetenschap dat er iemand tussen haar en het ergste instond en die afstand bewaakte.
Ze woont nu in Nederland, in een land waar ze dat verhaal niet langer nodig heeft. Ze is veilig, écht structureel veilig, op een manier die in Jemen, tijdens haar leven, nooit mogelijk was. Die veiligheid is het fundament waarop al het andere is gebouwd: de school, de vriendschappen, het Nederlands, de toekomst.
En toch ruikt het huis nog steeds naar Jemenitische kruiden. De serie speelt nog. De janbiya staat op de plank. Ze draagt de beide landen in zich mee, en dat is de enige manier waarop ze compleet kan zijn.
Over de auteur