Een Syrische Koerd zonder identiteit: slechts 7 maanden Syriër, en 46 jaar op zoek naar een thuisland
Ik ben geboren in Al-Hasakah in 1980, een Koerd op grond die mijn thuisland had moeten zijn. Maar gedurende eenendertig jaar van mijn leven was ik een vreemdeling in mijn eigen land.
De bijzondere volkstelling die het Syrische regime in 1962 uitvoerde in de provincie Al-Hasakah, ontnam tienduizenden Koerden, waaronder mijn familie, de Syrische nationaliteit. Wij droegen rode kaarten die ons er elke dag aan herinnerden dat wij vreemden waren in ons eigen land.
Ik kon niet normaal studeren, omdat het mij verboden was een officiële baan bij de overheid te hebben, en ik kon geen huis kopen, niet reizen en zelfs niet gemakkelijk trouwen (mijn vrouw moest ook een ‘vreemdeling’ zijn, net als ik). Ik bestond fysiek, maar niet juridisch. Ik leefde tientallen jaren als een schaduw van een mens. Ik ademde Syrische lucht maar had geen rechten als burger. Dit is niet alleen een cijfer in een mensenrechtenrapport; het is een dagelijkse realiteit die duizenden mensen zoals ik hebben meegemaakt.
Een vreemd gevoel
Aan het einde van 2011, na het uitbreken van de Syrische revolutie, gaf president Bashar al-Assad een presidentieel besluit uit (Wetgevend Besluit nr. 49) waarmee de Syrische nationaliteit werd gegeven aan mensen die als ‘vreemdelingen’ stonden geregistreerd. Ik kreeg eindelijk een Syrische identiteitskaart. Het was een vreemd gevoel: voor het eerst in mijn leven voelde ik dat ik een burger was. Maar dit gevoel van vreugde duurde slechts zeven maanden.
Door de escalatie van de oorlog en het toenemende geweld werd ik gedwongen Syrië te verlaten. Ik ging naar de Koerdische regio in Irak. Daar werd ik behandeld als een Syrische vluchteling, en niet als een Koerd uit een deel van Groot-Koerdistan. Zelfs onder mijn Koerdische broeders bepaalden de Syrische documenten mijn identiteit meer dan bloed of taal. Ook daar voelde ik geen volledig gevoel van verbondenheid. Het was een pijnlijke ervaring die liet zien dat ‘Koerdistan’ nog geen verenigde politieke identiteit is die de vier delen van Koerdistan samenbrengt.
In 2022 vroeg ik asiel aan in Nederland. Ook hier behandelt de Nederlandse overheid mij als een Syrische vluchteling op basis van de officiële documenten die ik heb. De tegenstelling is ironisch: ik ben alleen op papier Syriër. In werkelijkheid was ik slechts zeven maanden van mijn zesenveertigjarige leven Syrisch staatsburger. De rest van mijn leven was ik of een vreemdeling in Syrië of een vluchteling die werd ingedeeld op basis van een tijdelijke papieren nationaliteit.
Nu woon ik in Nederland en wacht ik op een permanente verblijfsvergunning en daarna op de Nederlandse nationaliteit. Ik weet dat de wet meestal vijf jaar legaal verblijf vereist, en dat ik ook het inburgeringsexamen moet halen. Ik volg de procedures met goede moed, want deze nationaliteit betekent meer voor mij dan alleen een paspoort. Ze biedt een kans om eindelijk een stabiele identiteit op te bouwen, een identiteit die mij een gevoel van verbondenheid en veiligheid geeft na tientallen jaren van vervreemding.
Echte identiteit
Maar de angst laat me nooit los. Ik ben bang dat de regels voor immigratie en nationaliteit in Nederland kunnen veranderen, zoals in andere Europese landen is gebeurd. Op mijn zesenveertigste merk ik dat ik nog steeds op zoek ben naar een ‘echte identiteit’. De Koerden hebben geen onafhankelijke staat die onze verspreide gemeenschap samenbrengt, en de Syrische identiteit die ik tijdelijk kreeg, was nooit ‘inclusief’.
De inclusieve Syrische identiteit, waar denkers en activisten vandaag de dag over spreken, zou een nationale en burgerlijke band moeten zijn die alle Syriërs samenbrengt: Koerden, Arabieren, Assyriërs, Turkmenen en anderen, ongeacht etniciteit of religie. Zij moet gebaseerd zijn op gelijkheid in burgerschap, respect voor diversiteit en gelijke rechten, en niet op een dominante etnische nationaliteit of historische uitsluiting. Maar mijn persoonlijke ervaring laat zien dat deze identiteit onder het vorige regime en ook onder het huidige regime, dat iedereen bestrijdt die anders is, slechts woorden op papier is gebleven. Hoe kan zij inclusief zijn als zij mij eenendertig jaar lang de meest basale rechten heeft ontnomen?
In Nederland leer ik de taal en probeer ik te integreren in de samenleving. Ik zie hier een model van een staat die gebaseerd is op burgerrechten en gelijkheid voor de wet. Ik hoop dat mijn Nederlandse nationaliteit (als ik die krijg) niet zomaar een nieuw document zal zijn, maar het begin van een nieuwe identiteit die gebaseerd is op respect en stabiliteit.
Niet alleen een document
Toch blijft een deel van mij hangen. Een deel dat droomt van een Koerdische staat, op een dag, of van een echt pluralistisch Syrië waarin alle identiteiten samen één geheel vormen zonder uitsluiting. Tot die tijd leef ik tussen tijdelijke identiteiten: Koerd van bloed, voor korte tijd Syriër op papier, en een Syrische vluchteling in Europa.
Ik besef me nu dat identiteit niet alleen een document is. Het is een gevoel van verbondenheid, van veiligheid, van toekomst. Ik wacht op de Nederlandse nationaliteit als een laatste kans om dit gevoel op te bouwen. En ik hoop dat Europa, en de Nederlandse samenleving in het bijzonder, begrijpt dat duizenden vluchtelingen zoals ik complexe verhalen meedragen van langdurige vervreemding. Echte integratie begint met het erkennen van deze verhalen, niet met het negeren ervan.
Misschien word ik op een dag Nederlander. Maar mijn hart zal altijd een oude wond dragen: de wond van een man die zesenveertig jaar heeft geleefd zonder een thuisland dat hem echt heeft omarmd.
Over de auteur